Exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI)

Atjo Westerhuis, dierenarts, EduVet Dierenkliniek Veenendaal

Laatste update: november 2024

Samenvatting

Er is een duidelijke relatie tussen exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI) en darmgezondheid. Naast suppletie van verteringsenzymen lijken ook cobalamine-suppletie en ondersteuning van een gezond microbioom belangrijk voor een goed behandelresultaat. In meer dan 80% van de EPI-gevallen is sprake van een cobalaminetekort. De maagzuurremmer omeprazol kan voorkomen dat de werking van gesuppleerde pancreaslipase in een te zuur maagmilieu verloren gaat. EPI heeft in het algemeen een goede prognose. De recidieven die in de praktijk zijn gezien, ontstonden vooral wanneer monitoring en/of suppletie van cobalamine op termijn niet zorgvuldig meer werd uitgevoerd.

Bronnen

  1. Exocrine Pancreatic Insufficiency in Dogs, Joseph Cyrus Parambeth en Jörg M. Steiner, Texas A&M University, NAVC Clinician’s Brief, mei 2011, p. 55-59.
  2. Huub van de Lang, Bandit, mondelinge mededeling, 2019.

Oorzaak van EPI

Exocriene pancreasinsufficiëntie, of EPI, ontstaat door verlies of ernstige beschadiging van de kliercellen van de alvleesklier die verantwoordelijk zijn voor de productie van verteringsenzymen. Daardoor worden onvoldoende verteringsenzymen aangemaakt en uitgescheiden voor een normale vertering in de darm. In ongeveer 50% van de gevallen is sprake van atrofie, oftewel verlies van functioneel klierweefsel. De oorzaak daarvan is onbekend. Mogelijk speelt een auto-immuunziekte of erfelijke afwijking een rol. In de overige gevallen is volgens de oorspronkelijke tekst een chronische ontsteking van de alvleesklier, oftewel pancreatitis, de oorzaak. Daarbij raakt functioneel klierweefsel beschadigd of verloren.

EPI komt het meest voor bij Duitse herders. Volgens de oorspronkelijke bron betreft 42% van alle EPI-gevallen dit ras. Bij Duitse herders gaat het met name om de idiopathische atrofische vorm, waarbij de oorzaak onbekend is. EPI als gevolg van atrofie van functioneel klierweefsel wordt meestal gezien op een leeftijd van 1-2 jaar. EPI als gevolg van chronische pancreatitis kan op iedere leeftijd voorkomen, maar wordt vooral gezien bij honden van middelbare tot oudere leeftijd.

Ziektebeeld

Het ziektebeeld ontstaat doordat voeding onvoldoende wordt verteerd en opgenomen in de darm. De klachten ontstaan meestal pas wanneer ongeveer 90% van de capaciteit van het functionele klierweefsel verloren is gegaan.

Pondje eten, kilootje poepen

Een opvallend verschijnsel bij een EPI-patiënt is een zeer grote eetlust in combinatie met gewichtsverlies. De hond kan daarbij zowel vet als spiermassa verliezen. Ook neemt de frequentie van de ontlasting vaak sterk toe en valt op dat per ontlastingsmoment relatief grote hoeveelheden feces worden geproduceerd. Dit wordt in de oorspronkelijke tekst samengevat als: ‘pondje eten, kilootje poepen’.

Diarree

De ontlasting kan dun, slap of pasteus zijn en heeft vaak een groot volume. Daarnaast ruikt de feces doorgaans duidelijk sterker dan normaal. EPI-patiënten kunnen veel last hebben van winderigheid en op afstand hoorbare darmgeluiden, ook wel een ‘piep- of pruttelbuik’ genoemd. Deze sterk ruikende gassen ontstaan doordat onvoldoende verteerde eiwitten, koolhydraten en vetten respectievelijk gaan rotten, gisten en ranzig worden. De ontlasting is regelmatig, maar zeker niet altijd, stopverfkleurig of geel. Ook kunnen onverteerde delen van de voeding in de ontlasting zichtbaar zijn. EPI-patiënten braken volgens de oorspronkelijke tekst zelden.

Dysbacteriose

EPI-patiënten kunnen ontlasting van andere honden gaan eten en soms ook hun eigen feces. In sommige gevallen eten zij daarnaast andere vreemde of niet-eetbare zaken. Dit wordt pica genoemd. Door de gestoorde vertering kan een verlies van bacterieel evenwicht in de darm ontstaan, waarbij ongewenste bacteriën de overhand krijgen. Dit wordt dysbacteriose genoemd. Een verstoorde darmgezondheid kan schade veroorzaken aan de darmwand, waardoor ook de opname van voedingsstoffen zoals cobalamine, oftewel vitamine B12, verder wordt bemoeilijkt. Volgens de oorspronkelijke tekst kan deze gestoorde darmgezondheid daarnaast een negatieve invloed hebben op het functioneren van het immuunsysteem. Naast gewichtsverlies wordt vaak ook gezien dat de conditie van de vacht achteruitgaat.

Veel drinken

Wanneer een EPI-patiënt veel gaat drinken en plassen, is dit volgens de oorspronkelijke tekst vrijwel zeker een aanwijzing dat diabetes mellitus als complicatie is ontstaan. Dit kan in zeldzame gevallen optreden wanneer chronische pancreatitis de onderliggende oorzaak van EPI is.

Laboratoriumdiagnostiek

cTLI

Het klinische beeld en de serum-cTLI-test zijn samen bepalend voor de diagnose EPI. De bepaling moet altijd bij een nuchtere hond worden uitgevoerd, na 10-12 uur zonder voeding. De uitslag van de serum-cTLI-test wordt niet beïnvloed door reeds gestarte suppletie met verteringsenzymen.

Meting Conclusie
8,5-35 µg/L Normaalwaarden volgens Idexx VetMedLab
< 2,5 µg/L Diagnose EPI bevestigd
2,5-5,7 µg/L Borderline; na 1-2 maanden opnieuw testen
> 5,7 µg/L Geen EPI

cTLI = canine Trypsin-Like Immunoreactivity: bepaling van de hoeveelheid trypsinogeen en trypsine in het serum.

Cobalamine (vitamine B12)

Bij EPI-patiënten wordt in principe altijd onderzoek gedaan naar de gehaltes van cobalamine, vitamine B12, en foliumzuur, vitamine B11. Een te hoog serumgehalte van foliumzuur wordt volgens de oorspronkelijke tekst beschouwd als een aanwijzing voor dysbacteriose. In meer dan 80% van de EPI-gevallen is sprake van een cobalaminetekort. Soms wordt daarnaast een verhoogd foliumzuurgehalte gezien. Bij verdenking van diabetes mellitus wordt uiteraard ook het glucosegehalte in het bloed bepaald.

Bij een deel van de patiënten wordt een uitgebreidere bloedcontrole uitgevoerd. Daarbij kan onder andere worden gekeken naar leverfunctie, alvleesklierfunctie, nierfunctie, glucosegehalte, eiwitgehalte, rode en witte bloedcellen, mineralen en elektrolyten. Deze screening wordt uitgevoerd om eventuele andere oorzaken van een immuniteitsprobleem aan te tonen of uit te sluiten.

Behandeling

De behandeling van EPI bestaat volgens de oorspronkelijke tekst uit suppletie van cobalamine wanneer sprake is van een cobalaminetekort, suppletie van pancreasenzymen, de maagzuurremmer omeprazol en, in het uitzonderlijke geval dat ook diabetes mellitus is vastgesteld, insulinetherapie.

Verteringsenzymen

Bij iedere maaltijd moeten verteringsenzymen in poedervorm worden toegediend. Tabletproducten hebben volgens de oorspronkelijke tekst niet de voorkeur. Capsules moeten worden geopend en de inhoud wordt over de voeding verdeeld. De beschreven dosering is 1 theelepel per 10 kg lichaamsgewicht bij iedere maaltijd. Het enzympoeder wordt vlak voor de maaltijd door de voeding gemengd. Belangrijk is dat het enzympoeder ongeveer 70.000 USP-eenheden lipaseactiviteit per theelepel bevat. Na volledig herstel kan de dosering worden verlaagd naar een onderhoudsdosis. Wanneer bloedinkjes in de mond ontstaan, wordt de dosis volgens de oorspronkelijke tekst verlaagd.

Pancreasgehakt

Soms heeft een EPI-patiënt een sterke aversie of allergie voor het enzympoeder. In een aantal gevallen is volgens de praktijkervaring met succes rauw pancreasgehakt van rund, schaap, varken of wild toegepast. De geadviseerde hoeveelheid bedraagt volgens de genoemde bron 30 gram per 10 kg lichaamsgewicht. Huub van de Lang heeft volgens de oorspronkelijke tekst goede ervaringen bij EPI-patiënten wanneer pancreasgehakt ongeveer 30% van de totale voeding uitmaakt. Wanneer het wordt ingevroren, blijft de enzymactiviteit volgens de oorspronkelijke tekst maandenlang behouden. Bij rauwvleesvoeding moet zorgvuldig worden omgegaan met hygiëne om infecties te voorkomen.

Cobalamine

Voor de behandeling van een cobalaminetekort wordt in de oorspronkelijke tekst hydrocobamine 1000 µg in ampullen van 2 ml beschreven. De injectie wordt eenmaal per week onderhuids toegediend gedurende 6 weken. De hoeveelheid per injectie is afhankelijk van het lichaamsgewicht van de hond.

Gewicht Sterkte Hoeveelheid
< 10 kg 250 µg 0,5 ml = ¼ ampul
10-20 kg 500 µg 1 ml = ½ ampul
> 20 kg 1000 µg 2 ml = 1 ampul

Na de eerste serie van 6 wekelijkse injecties wordt volgens het oorspronkelijke schema na 4 weken nogmaals één injectie toegediend. Vier weken daarna wordt het cobalaminegehalte opnieuw in het bloed gecontroleerd. De hond moet daarvoor 10-12 uur nuchter zijn. Voor aanvullende informatie over cobalamine, waaronder de mogelijkheid om in bepaalde gevallen orale vitamine B12-suppletie toe te passen in plaats van injecties, wordt verwezen naar Cobalamine, vitamine B12 en immuniteit bij de hond. Sommige honden hebben slechts tijdelijk cobalamine nodig, terwijl andere honden levenslang suppletie nodig hebben.

Maagzuurremmers

Maagzuurremmers kunnen volgens de oorspronkelijke tekst zeer effectief zijn wanneer pancreaslipase uit het enzymsupplement wordt afgebroken door een te lage pH in de maag. Het hierdoor ontstane tekort aan actieve lipase kan een oorzaak zijn van onvoldoende respons op de enzymsuppletie. De beschreven dosering van omeprazol bedraagt 0,6 mg/kg lichaamsgewicht, 2 x daags, met een interval van ongeveer 12 uur.

Antibiotica

Antibiotica worden bij EPI-patiënten volgens de oorspronkelijke tekst uitsluitend toegepast bij complicerende infecties, zoals een dysbacteriose die onvoldoende verbetert door ondersteuning van het microbioom en suppletie van cobalamine en verteringsenzymen.

Follow-up

In principe komt de patiënt volgens de oorspronkelijke tekst snel weer op gewicht. Soms verdwijnen alle andere symptomen, terwijl het lichaamsgewicht nog onvoldoende toeneemt. Diarree verdwijnt bij ongecompliceerde gevallen meestal binnen 2-7 dagen. Ongeveer 20% van de honden reageert niet direct voldoende op enzymsuppletie. In dat geval moet, wanneer dat nog niet is gedaan, onder andere worden gecontroleerd op cobalaminedeficiëntie, dysbacteriose van de dunne darm, IBD, diabetes mellitus, een te hoge maag-pH en andere mogelijke complicerende factoren.

Prognose

Bij vrijwel alle EPI-patiënten is een levenslange behandeling nodig. Na stabilisatie is de prognose volgens de oorspronkelijke tekst in vrijwel alle gevallen gunstig. De respons op enzymtherapie is op de lange termijn meestal goed, al kan af en toe een kort recidief optreden. In de meeste gevallen kan worden gerekend op een normaal leven en een normale levensverwachting.

Extra aandacht is nodig voor de cobalamine-suppletie. Sommige honden hebben alleen tijdelijk vitamine B12 nodig, terwijl bij andere honden levenslange suppletie noodzakelijk blijft. Monitoring van het cobalaminegehalte en zo nodig voortzetting van de suppletie zijn daarom belangrijk. In de praktijk zijn onder andere bij Duitse herders en Australian shepherds gevallen gezien van genetisch bepaalde cobalaminemalabsorptie, waarbij blijvende suppletie noodzakelijk is. De meeste recidieven die in de praktijk zijn gezien, ontstonden volgens de oorspronkelijke auteur doordat monitoring en/of suppletie van cobalamine na verloop van tijd niet meer zorgvuldig werd uitgevoerd.

Wanneer sprake is van een erfelijke idiopathische vorm van EPI als gevolg van atrofie van functioneel pancreasweefsel, wordt afgeraden om met klinische lijders te fokken.


Bron: deze tekst is opgesteld door dierenarts Atjo Westerhuis en oorspronkelijk gepubliceerd via EduVet Dierenkliniek. Voor publicatie op IAHC is de tekst redactioneel aangepast. De oorspronkelijke inhoudelijke uitgangspunten, veterinaire claims, behandelprotocollen en genoemde doseringen zijn daarbij behouden.

LinkedIn
Twitter
WhatsApp

Dit artikel is geschreven door Atjo Westerhuis

Atjo Westerhuis is dierenarts, veterinair directeur en oprichter van het IAHC kennisplatform. Sinds zijn afstuderen aan de Universiteit Utrecht in 1973 is hij actief binnen de gezelschapsdiergeneeskunde en bouwde hij ruim vijftig jaar praktijkervaring op als dierenarts, praktijkhouder, adviseur en initiatiefnemer binnen de veterinaire sector. Binnen EduVet Dierenkliniek levert hij eerste- en anderhalvelijns patiëntenzorg, waarbij hij zich onder andere richt op dieren met chronische of complexe klachten die worden aangeboden voor een second opinion.

Seminar: Grote Zorgen bij Jonge Honden

Op zaterdag 28 november 2026 organiseert EduVet in Veenendaal een seminar over veelvoorkomende gezondheids- en gedragsproblemen bij pups en jonge honden. Met inzichten uit gedrag, voeding, diergeneeskunde en recht.

Persoonlijke zorg voor uw hond of kat

Bij EduVet Dierenkliniek Veenendaal staan aandacht, uitgebreide diagnostiek en samenwerking met u als eigenaar centraal. Ook voor complexe of langdurige klachten en een second opinion kunt u bij ons terecht.

Lees meer van Atjo Westerhuis

Perianaal fistel bij de hond

Samenvatting: Het ontstaan van perianaal fistels is een immuungemedieerde aandoening. Het is vanouds een hardnekkige klacht, meestal voortdurend pijnlijk voor de hond, reden voor wanhoop bij de eigenaar en een

Lezen

Plasbuisverstopping bij de kater

Atjo Westerhuis, dierenarts, EduVet Dierenkliniek, Veenendaal Laatste update: november 2020 Samenvatting: Een plasbuis verstopping door een blaasgruis ‘prop’ bij de kater is een levensbedreigende situatie. Als na het wegspoelen van

Lezen

Homeopathie bij hond & kat

Wat kan homeopathie de diergeneeskunde bieden? Volgens de meeste (veterinaire) wetenschappers niets; volgens de meeste homeopathisch werkende dierenartsen veel. Wetenschappers hebben in het algemeen geen kennis van homeopathie bij dieren

Lezen

Disclaimer

Ondanks de zorgvuldigheid, waarmee wij de content van onze bibliotheek samenstellen, kan EduVet IAHC Platform  geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele zetfouten en andere onjuistheden of onvolledigheden, noch voor de eventuele gevolgen van het handelen of juist nalaten van handelen op grond van de informatie die via de content van onze bibliotheek is verkregen.

Niet zelf ‘dokteren’

EduVet IAHC Platform benadrukt daarbij, dat de informatie die via onze content is verkregen nooit een vervanging is van de professionals!
De content van onze bibliotheek laat diereigenaren en dierverzorgers met de professionals ‘meekijken’, zodat zij met kennis van zaken
kunnen meedenken en meebeslissen over welzijn en gezondheid van hun (huis)dieren. Diereigenaren en dierverzorgers worden daarom
dringend geadviseerd nooit op eigen initiatief te (be)handelen, zonder advies, instemming en begeleiding van een professional. Dat
geldt natuurlijk in het bijzonder als het gaat om de uiteindelijke keuze van de juiste behandeling.

Wetenschap en praktijk

De content van onze bibliotheek wordt niet alleen vervaardigd aan de hand van evidence based wetenschappelijke literatuur, maar vooral ook aan de hand van onze eigen empirical based inzichten.

Updating

Deze informatie kan, in het kader van updating, zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Wij vragen u om eventuele, door u gesignaleerde (vermoedelijke) onvolkomenheden in onze artikelen aan ons te melden via info@iahc.online zodat we deze, indien nodig, kunnen meenemen in de updating. Alvast hartelijk dank daarvoor.

Wetenschap en Praktijkervaring

Educatie vanuit het EduVet IAHC Platform richt zich vooral op het delen van kritisch geëvalueerde ervaringen in de praktijk met wetenschappelijke diergeneeskunde en andere vormen van diergeneeskunde. Kritisch evaluatie vooral ook ten aanzien van effectiviteit en veiligheid. In theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk, in de praktijk blijkt dat een verschil wel mogelijk is.

Wij streven er altijd naar om het beste beschikbare onderzoeksbewijs in onze diergeneeskundige zorg te integreren, gecombineerd met klinische expertise en de unieke behoeften of wensen van elke cliënt. Wij hebben een open mind voor de reële kansen met andere vormen van diergeneeskunde. Die kunnen in een aantal gevallen blijkbaar een waardevolle aanvulling zijn op de reguliere diergeneeskunde, met name als de reguliere diergeneeskunde geen oplossing, geen of onvoldoende effect en/of onacceptabele bijwerkingen heeft.

Omdat de zorgvraag in de diergeneeskunde veel groter is dan wij kunnen invullen met alleen wetenschappelijke of evidence based diergeneeskunde, voelen wij als professionals ons verplicht aan onze patiënten en hun eigenaren dat wij onze praktijkervaringen oftewel empirical based diergeneeskunde serieus nemen, zodat wij daarmee kennelijk extra kansen kunnen creëren voor onze patiënten.

Door het verzamelen van vergelijkbare casuïstieken van onszelf en van andere professionals in de diergezondheidszorg, met bij herhaling dezelfde resultaten, onafhankelijk van elkaar, kan een inductief of empirical based bewijs geleverd worden, dat niet alleen nu al als effectieve behandeling blijkt te kunnen worden ingezet in de praktijk, maar ook als hypothese zal kunnen dienen voor verder wetenschappelijk of evidence based onderzoek.

Wetenschappelijk onderzoek is alleen financieel te realiseren als er een commercieel of maatschappelijk belang mee gediend is. Dus wordt er heel veel nuttig onderzoek niet gedaan. Voldoende reden om praktijkervaringen niet af te doen als ‘anekdotisch’, maar serieus te nemen.