Knikstaart

Uitsluiting van de fokkerij
Een knik in de staart bij een pup wordt gezien als een erfelijke fout. Als de knik wordt vastgesteld bij een pup, wordt de betreffende hond uitgesloten voor de fokkerij.

Dat is niet alleen vanwege het simpele schoonheidsfoutje ‘knik in de staart’ bij een overigens kerngezonde hond, maar ook omdat er onzekerheid bestaat over het feit dat die knik in de staart een deel van een ander, vaak latent (skelet)probleem zou zijn. Latent betekent, dat we bij het fokken met een dergelijke hond dan niet in de gaten zouden hebben, dat er stiekem toch een overdracht van een (skelet)afwijking zou kunnen plaats vinden op het nageslacht. Voor de ‘zekerheid’ sluiten we dan toch maar alle knikstaarten uit voor de fokkerij.

De vraag dringt zich op of dat wel terecht is. Is deze ‘zekerheid’ geen schijnzekerheid? En moeten we ons hierbij ook niet afvragen of we niet te veel waardevol genetisch materiaal verkwanselen voor deze schijnzekerheid?

Argumenten tegen uitsluiting
In de eerste plaats is het maar de vraag of iedere knikstaart erfelijk is. Als er bij een pasgeboren pup een misvormde staartwervel (knik in de wervel) zit, die de knik in de staart veroorzaakt, dan lijkt het heel waarschijnlijk dat het een aangeboren afwijking is, die misschien ook wel erfelijk is. Als er sprake is van een knik tussen twee verder geheel normale wervels bij een jonge pup is dat waarschijnlijk ook wel aangeboren, maar de kans is zeer groot, dat het niet door erfelijkheid maar door trauma is ontstaan. Het zou natuurlijk volledig onjuist zijn deze honden om reden van een door trauma ontstane knik in de staart uit te sluiten voor de fokkerij.

De bewering, dat alle knikstaarten gecorreleerd zijn aan andere (skelet)afwijkingen lijkt op grond van wat er over in de literatuur bekend is en op grond van praktijkervaringen een overdreven speculatie.

En wat te denken van de staartwervelafwijkingen, die geen knik veroorzaken en dus vrijwel nooit ontdekt worden? Die vallen dan toch buiten de selectie?

Als we alle knikstaarten uitsluiten voor de fokkerij, doen we dus niet alleen de verkeerde selectie, maar ook nog eens een zeer onvolledige!

Uitsluiting heroverwegen
Ik pleit ervoor om de ‘wetenschappelijke’ maatstaf om alle knikstaarten voor de fokkerij uit te sluiten zo snel mogelijk af te schaffen. We moeten veel selectiever te werk gaan.

Een knikstaart veroorzaakt door een knik tussen 2 overigens kerngezonde wervels moeten we in elk geval niet langer beschouwen als een erfelijk probleem en de betreffende honden toelaten voor de fokkerij.

We kennen voorbeelden van honden met een knikstaart die wel voor de fokkerij ingezet zijn; lang niet bij al die honden is helaas röntgenologisch vastgesteld of het om een knik in de wervel of tussen twee wervels gaat. In veel van die gevallen zijn noch bij de voorouders, noch bij de ouders, broers of zusters, noch bij het nageslacht knikstaarten gevonden. Als er familiair geen problemen te bespeuren zijn, moeten we de hond met een knikstaart niet uitsluiten voor de fokkerij, zeker niet in een kleine raspopulatie.

Als binnen een ras ook nog eens het percentage knikstaarten niet significant uitstijgt boven het percentage knikstaarten in het algemeen (rassen en kruisingen), is het uitsluiten van knikstaarten een onzinnige actie, die een ras meer genetische schade zal kunnen opleveren, dan genetisch voordeel. En dat laatste is toch het doel van selectie!

En tot slot …
Ik heb sterk het gevoel, dat er nog wel meer erfelijke afwijkingen zijn bij de hond, zeker in relatie tot de reële situatie binnen een bepaalde raspopulatie, waarbij we de genetische winst- en verliesrekening van de huidige selectiecriteria in de fokkerij maar eens (opnieuw) onder de loep moeten nemen.


Deze cliënten hand-out is bedoeld als ondersteuning van het consult door de dierenarts. De tekst gaat ervan uit dat uw huisdier al door de dierenarts is gezien. De adviezen in de hand-out gelden alleen voor dieren bij wie de diagnose is gesteld. De informatie dient niet als vervanging van een consult door de dierenarts! Bedenk bij het lezen dat de gezondheidssituatie van uw huisdier anders kan zijn dan in de teksten wordt beschreven. Verder worden al onze hand-outs vervaardigd aan de hand van niet alleen wetenschappelijke literatuur, maar ook van onze eigen inzichten op grond van persoonlijke ervaringen. Daarom kan de informatie voor een deel afwijken van de gangbare literatuur.

LinkedIn
Twitter
WhatsApp

Dit artikel is geschreven door Atjo Westerhuis

Atjo Westerhuis is dierenarts, veterinair directeur en oprichter van het IAHC kennisplatform. Sinds zijn afstuderen aan de Universiteit Utrecht in 1973 is hij actief binnen de gezelschapsdiergeneeskunde en bouwde hij ruim vijftig jaar praktijkervaring op als dierenarts, praktijkhouder, adviseur en initiatiefnemer binnen de veterinaire sector. Binnen EduVet Dierenkliniek levert hij eerste- en anderhalvelijns patiëntenzorg, waarbij hij zich onder andere richt op dieren met chronische of complexe klachten die worden aangeboden voor een second opinion.

Seminar: Grote Zorgen bij Jonge Honden

Op zaterdag 28 november 2026 organiseert EduVet in Veenendaal een seminar over veelvoorkomende gezondheids- en gedragsproblemen bij pups en jonge honden. Met inzichten uit gedrag, voeding, diergeneeskunde en recht.

Persoonlijke zorg voor uw hond of kat

Bij EduVet Dierenkliniek Veenendaal staan aandacht, uitgebreide diagnostiek en samenwerking met u als eigenaar centraal. Ook voor complexe of langdurige klachten en een second opinion kunt u bij ons terecht.

Lees meer van Atjo Westerhuis

Perianaal fistel bij de hond

Samenvatting: Het ontstaan van perianaal fistels is een immuungemedieerde aandoening. Het is vanouds een hardnekkige klacht, meestal voortdurend pijnlijk voor de hond, reden voor wanhoop bij de eigenaar en een

Lezen

Plasbuisverstopping bij de kater

Atjo Westerhuis, dierenarts, EduVet Dierenkliniek, Veenendaal Laatste update: november 2020 Samenvatting: Een plasbuis verstopping door een blaasgruis ‘prop’ bij de kater is een levensbedreigende situatie. Als na het wegspoelen van

Lezen

Homeopathie bij hond & kat

Wat kan homeopathie de diergeneeskunde bieden? Volgens de meeste (veterinaire) wetenschappers niets; volgens de meeste homeopathisch werkende dierenartsen veel. Wetenschappers hebben in het algemeen geen kennis van homeopathie bij dieren

Lezen

Disclaimer

Ondanks de zorgvuldigheid, waarmee wij de content van onze bibliotheek samenstellen, kan EduVet IAHC Platform  geen aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele zetfouten en andere onjuistheden of onvolledigheden, noch voor de eventuele gevolgen van het handelen of juist nalaten van handelen op grond van de informatie die via de content van onze bibliotheek is verkregen.

Niet zelf ‘dokteren’

EduVet IAHC Platform benadrukt daarbij, dat de informatie die via onze content is verkregen nooit een vervanging is van de professionals!
De content van onze bibliotheek laat diereigenaren en dierverzorgers met de professionals ‘meekijken’, zodat zij met kennis van zaken
kunnen meedenken en meebeslissen over welzijn en gezondheid van hun (huis)dieren. Diereigenaren en dierverzorgers worden daarom
dringend geadviseerd nooit op eigen initiatief te (be)handelen, zonder advies, instemming en begeleiding van een professional. Dat
geldt natuurlijk in het bijzonder als het gaat om de uiteindelijke keuze van de juiste behandeling.

Wetenschap en praktijk

De content van onze bibliotheek wordt niet alleen vervaardigd aan de hand van evidence based wetenschappelijke literatuur, maar vooral ook aan de hand van onze eigen empirical based inzichten.

Updating

Deze informatie kan, in het kader van updating, zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. Wij vragen u om eventuele, door u gesignaleerde (vermoedelijke) onvolkomenheden in onze artikelen aan ons te melden via info@iahc.online zodat we deze, indien nodig, kunnen meenemen in de updating. Alvast hartelijk dank daarvoor.

Wetenschap en Praktijkervaring

Educatie vanuit het EduVet IAHC Platform richt zich vooral op het delen van kritisch geëvalueerde ervaringen in de praktijk met wetenschappelijke diergeneeskunde en andere vormen van diergeneeskunde. Kritisch evaluatie vooral ook ten aanzien van effectiviteit en veiligheid. In theorie is er geen verschil tussen theorie en praktijk, in de praktijk blijkt dat een verschil wel mogelijk is.

Wij streven er altijd naar om het beste beschikbare onderzoeksbewijs in onze diergeneeskundige zorg te integreren, gecombineerd met klinische expertise en de unieke behoeften of wensen van elke cliënt. Wij hebben een open mind voor de reële kansen met andere vormen van diergeneeskunde. Die kunnen in een aantal gevallen blijkbaar een waardevolle aanvulling zijn op de reguliere diergeneeskunde, met name als de reguliere diergeneeskunde geen oplossing, geen of onvoldoende effect en/of onacceptabele bijwerkingen heeft.

Omdat de zorgvraag in de diergeneeskunde veel groter is dan wij kunnen invullen met alleen wetenschappelijke of evidence based diergeneeskunde, voelen wij als professionals ons verplicht aan onze patiënten en hun eigenaren dat wij onze praktijkervaringen oftewel empirical based diergeneeskunde serieus nemen, zodat wij daarmee kennelijk extra kansen kunnen creëren voor onze patiënten.

Door het verzamelen van vergelijkbare casuïstieken van onszelf en van andere professionals in de diergezondheidszorg, met bij herhaling dezelfde resultaten, onafhankelijk van elkaar, kan een inductief of empirical based bewijs geleverd worden, dat niet alleen nu al als effectieve behandeling blijkt te kunnen worden ingezet in de praktijk, maar ook als hypothese zal kunnen dienen voor verder wetenschappelijk of evidence based onderzoek.

Wetenschappelijk onderzoek is alleen financieel te realiseren als er een commercieel of maatschappelijk belang mee gediend is. Dus wordt er heel veel nuttig onderzoek niet gedaan. Voldoende reden om praktijkervaringen niet af te doen als ‘anekdotisch’, maar serieus te nemen.